Interview met tutor Jan Vantoortelboom

Jan Vantoortelboom is de nieuwe EDITIO-tutor fictie. Zijn derde en meest recente boek ‘De Man die Haast Had’ won de Zeeuwse Boekenprijs 2015. Het tweede boek van zijn hand, ‘Meester Mitraillette,’ werd door het DWDD boekverkoperspanel verkozen tot Boek van de Maand, en Vantoortelbooms debuutroman ‘De verzonken jongen’ won De Bronzen Uil 2011 en de Prijs Letterkunde West-Vlaanderen 2012.

Vantoortelboom is, naast het schrijven van zijn vierde roman, werkzaam als docent Engels aan de University of Applied Sciences in Vlissingen.  Ook zit hij in een PhD-traject, waarvoor hij drie werken van de Anglo-Ierse schrijver Roddy Doyle zal analyseren.

– Dag Jan, welke rol spelen taal en tekst in jouw dagelijks leven?

“Dagelijkse kost en een zeer dominante rol, natuurlijk. Zowel in het onderwijs als in mijn persoonlijke schrijversleven. Als ik zelf niet schrijf, dan probeer ik te lezen. Ik ben geen prater, dus dat scheelt. Ik zeg altijd: als ik een goede prater was, dan zou ik niet schrijven. Taal en tekst spelen zich hoofdzakelijk af in mijn hoofd, want zowel het lezen als schrijven zijn een privéaangelegenheid.”

– Je hebt nu drie boeken geschreven, wanneer weet je: dit verhaal laat mij niet meer los?

“Na ‘De man die haast had’ ben ik opeens zeven maanden gestopt met de fysieke handeling van het schrijven, maar merkte ik dat ik ondertussen in mijn gedachten bezig was met het concipiëren van een verhaal. Het klinkt misschien zweverig en onbegrijpelijk maar in mijn geval gebeurt veel van dat al tijdens onbewuste momenten. Dat betekent: als ik loop of autorijd of iets anders doe dat geen gerichte aandacht vraagt, ik opeens een idee krijg. Dat probeer ik dan ook te onthouden of krabbel ik snel neer op een briefje.

Nadat die fase over was ben ik gaan zitten. Nu kan ik de grote lijnen van dat verhaal bijna in zijn geheel op papier zetten, wat niet betekent dat er geen dingen kunnen veranderen. De schoonheid van mijn schrijverschap zit hem in het feit dat alles open blijft. Ik ga nooit actief op zoek naar een onderwerp. Het dient zich aan in de vorm van een zin van iemand, een regel in een boek, een artikel in de krant, een foto etc.”

– Kun je iets zeggen over je schrijfrituelen? Heb je een vaste tafel/hoek met lichtinval/uur van de dag waarop je schrijft?

“Eerst mijn houtkachel aansteken, dan muziek opzetten en koffie drinken, online krant lezen en dan beweeg ik geleidelijk aan in de richting van mijn tekst. Ik herlees wat ik de avond ervoor heb geschreven en ga ermee verder of laat dat liggen en begin een nieuw stuk. Al bij al is dat een drietal uur. Dan doe ik weer iets anders, liefst buiten.”

– Je bent zeer gespecialiseerd in Engelstalige literatuur. Welke invloed heeft dit op jouw schrijven?

“Het is altijd lastig de invloed van een schrijver of een werk te bepalen. Het is niet zo dat ik daadwerkelijk nabootsing van iets of iemand nastreef. Het belangrijkste in mijn schrijverschap en wellicht bij elke schrijver die waarachtige emotie in zijn tekst probeert te leggen, is dat je je persoonlijke vertelstem vindt. De Ieren munten op dat vlak uit.

Zij hebben een eeuwenlange traditie van orale overlevering gekend, dus verhalen vertellen. Dat gebeurt zelfs nog in pubs in landelijk Ierland. Mensen gaan in een kring zitten luisteren naar een fantastische verteller. Toen ze gingen schrijven is dat niet verloren gegaan. Integendeel, het bleek een versterking en bestendiging van hun verhaaltraditie.”

– Zijn er dingen die in de Engelse literatuur wel kunnen, maar in het Nederlands nooit voorkomen? Of andersom? 

“In literatuur is alles mogelijk. Het is wel zo dat hier in Nederland het uitgebeende schrijverschap gevierd wordt, minder het barokke (zoals wel in Vlaanderen en in de Angelsaksische literatuur). Die schrijfstijl heb ik zelf toegepast in ‘De man die haast had.’ De stijl daarin staat lijnrecht tegenover mijn eerste twee romans die de barokke Vlaamse ‘schoonschrijverij’ benaderen.

Het heeft me geleerd dat je steeds moet proberen de juiste stijl bij een verhaal te zoeken. Om diepe emotie over te dragen ben je meer gebaat bij een sobere stijl, want teveel metaforen of bijwoorden of bijvoeglijke naamwoorden kunnen afleiden van de werkelijke boodschap die steeds moet berusten op het overdragen van emoties. Tenminste, dat is mijn gedachte.”

– Wat moet een goed schrijver in huis hebben?
 
“Koffie, tijd en rust.”

–  Wie lees je graag?

“Ik lees veel Anglo-Ieren: Roddy Doyle, Sebastian Barry, Hugo Hamilton etc. Fantastische vertellers.”

– Wat hoop je de EDITIO cursisten bij te brengen?

“Wat ze maar willen leren. Maar vooral: niet teveel in een keer wensen. Dat is de valkuil voor veel debutanten. Jezelf opleggen om bijvoorbeeld vijf pagina’s lang over hetzelfde te schrijven en dat boeiend houden is een hele goede uitdaging en oefening.”

– Professioneel gezien, welke dromen koester je nog voor de toekomst?

“Geen. Ik was al in de wolken toen mijn debuut verscheen. Dat voelde aan als de verwezenlijking van een levenslange zij het lang ondergesneeuwde ambitie. Alles wat daarna komt is bonus.”