Taoufik Abou en Tamara de Rijk winnen de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2026!
Zondag 4 oktober is de Editio Debutantenprijs 2026 voor fictie en poëzie uitgereikt! Taoufik Abou en Tamara de Rijk vielen in de prijzen op deze prachtige avond. Met zijn verhaal Gorgo wist Abou de jury te imponeren en zo de prijs mee naar huis te nemen. Het gevoelige gedicht De geur van warme melk van De Rijk raakte de jury enorm waardoor zij de poëzieprijs won. Lees hieronder het winnende verhaal en gedicht en bekijk hoe zij dit voordroegen op het Editio Debutantenbal 2026.
Taoufik Abou – Gorgo
Sadia staat eindelijk bij de douanepoortjes waar ze zo lang voor had gereisd, bij het punt waar alle wegen, bussen, wachtrijen samen komen, tot een paar metalen poortjes en een man achter glas. Terwijl ze langzaam met de rij mee naar voren schuift, ziet ze voorbij de ijzeren hekken achter okergele postmoderne flats de dode vulkaan Gorgo. De berg die Marokko van het Spaanse Melilla scheidt. Achter die berg woont Sadia’s tante, tante Tamo.
De zon prikt onder Sadia’s shirt; zij krabt terwijl haar gezicht verstrakt.
Een bewaker kijkt haar aan. Gauw trekt zij haar wenkbrauwen en mondhoeken in twee moeizame krullen omhoog.
Een lange, sjofele man staat bij het douaneloket. De beambte achter het raam tikt aan zijn eigen hoofd. De man tikt aan zijn pet. Een knik. Hij zet de pet af. Een linnen doek die zijn nek tegen de zon beschermde, glijdt mee en valt op de grond. Hij bukt, raapt op, strijkt door zijn blonde vlassige haar. De beambte kijkt hem aan. Een ademlengte. Twee. Dan schudt hij zijn hoofd en duwt het bordeauxrode paspoort terug door het luikje.
De blonde man heft zijn handen waarna twee bewakers hem vastgrijpen, eerst kalm en daarna hardhandig wanneer de man zich verzet. Na enkele bewegingen ligt hij met zijn gezicht tegen het asfalt. Hij krijst I am not a terrorist!
Sadia’s hand omklemt de harde omslag van haar paspoort in haar binnenzak. Zij haalt het eruit, alsof zij zich ervan wil vergewissen dat het er nog is. Zij kijkt naar de groene kaft: Royaume du Maroc, de gouden letters zijn afgesleten. De geur van oud zweet en stof dringt haar neus binnen.
De beambte achter het loket, een man met stug zwart haar, en een wit oog krabbelt onverstoorbaar door terwijl de man voor hem wordt weggesleept. De beambte draait zijn hoofd en aanschouwt de rij, bij Sadia stopt hij, hij wuift naar haar.
Sadia haalt diep adem en loopt naar voren. De beambte legt zijn pen neer . De rechterhelft van zijn gezicht beweegt mee als hij opkijkt; de linkerhelft blijft staan, als een masker waarvan de helft verstijfd is.
“Reden van bezoek.”
“Familiebezoek.”
“Wat voor familie?”
“Ik bezoek mijn tante, Tante Tamo, in Ait Sidel.” Haar stem klinkt te zacht.
Zij schraapt haar keel. “Mijn geschiedenis is – het Arabische woord ontschiet haar – mon histoire, mi historia está aquí”. Ze weigerde dit gesprek vooraf voor te bereiden, dat hoeft niet, vindt ze. Dat wil ze ook niet.
De beambte schrijft iets op. Hij bladert door Sadia’s paspoort, bladzij voor bladzij, alsof er ergens stempels moeten staan die hij niet kan vinden. Zijn blik gaat opnieuw langs de bio-pagina met haar gegevens. Hij kijkt op. Het ene oog vindt haar, het andere oog richt zich in het luchtledige.
“Ben je geboren in Amsterdam?”
Na een korte aarzeling knikt ze.
“Je Nederkaapse papieren.”
Sadia voelt iets zwaars zakken in haar buik. Zij pakt haar Nederlandse ID. Zij weet, voor zij het overhandigt, dat het geen zin heeft. Zij doet het toch.
De beambte houdt het pasje vast tussen duim en wijsvinger. Luid tikt hij op een regel in het pasje.
“Ongeldig, andere papieren graag.”
Sadia bijt op haar tong. Ik ben Amsterdammer, mijn ouders zijn verdreven naar Maastricht toen ik twee was. Dat wil ze zeggen, maar ze zegt het niet.
“De Nederkaapse autoriteiten. Ik heb een verblyfpermyt, geen paspoort.”
“Afgegeven door wie?”
“Door de autoriteiten daar.”
“Welke autoriteiten?”
“De Nederkaapse.”
De beambte kijkt op. Het ene oog blijft op het document. “Je bent dus geen staatsburger.”
“Ik ben Nederlands, en Marokkaans.”
“Waar wonen je ouders?”
“Zij woonden in Amsterdam maar oorspronkelijk kwamen ze uit Ait Sidel, het dorp recht
achter die berg.” Ze wijst naar Gorgo.
De beambte knikt, één keer, alsof hij iets bevestigd ziet. Hij pakt een ander formulier. Hij vraagt naar Sadia’s werkgever. Of zij familie heeft in Ait Sidel. Sadia knikt.
En in Nador, Al Hoceima, Berkane. Hoeveel contant geld zij bij zich heeft. Of zij gezond is. Hoe lang zij blijft. Wie haar tante is, wat haar meisjesnaam is. Of zij eerder is geweigerd aan een grens. Of zij politieke affiliaties heeft. Waar, wanneer, waarom.
Sommige antwoorden weet zij, maar over te veel antwoorden moet ze nadenken.
De beambte schuift haar verblijfsvergunning naar haar terug.
“Onvoldoende,” zegt hij.
Achter haar hoort zij voetstappen: twee paar, langzaam over de zanderige grond naderen. Een hand voelt ze op haar elleboog, niet hard.
“Alsjeblieft.” Het komt eruit in het Nederlands. Zij hoort het pas als het er is. Zij probeert het in het Arabisch – allaydik – maar ze struikelt over de woorden. Spaans dan: “Escucha, por favor-” en weer hapert zij? Wat is het zinnetje dat hier past?
De hand omklemt haar elleboog. Ze voelt de moed in haar schoenen zakken.
“Yemma o wawa aqyen dèh,” zegt zij. Mijn ouders zijn hier.
“Mijn ouders liggen hier achter deze berg begraven.”
Het is geen hele zin, het is zoals een kind het uitspreekt.
De beambte heft zijn hand op. De bewakers aarzelen.
“Wacht.” Hij zegt het in het Arabisch. Dan, langzaam, in iets anders: “T’sawarar T’mazight?”
Spreek je Riffijns?
Sadia knikt. De beambte leunt naar voren. Hij zegt iets -een zin, niet kort – en Sadia verstaat de helft. Iets over een dorp. Iets met waar en moeder.
Zij probeert. “Mijn moeder kwam – yemma inu tusa-d zi -” Zij weet de naam van het dorp. Zij heeft hem honderd keer gehoord. Zij ziet de keuken, de tegels, haar moeder bij het fornuis in hun vakantiehuis.
Iets in het gezicht van de beambte verschuift. Niet warm. Eerder erkenning.
Hij stelt nog een vraag. Sadia antwoordt. Ook hij moet zijn Riffijnse woorden zoeken. Hij stelt er nog een. Sadia hoort zichzelf zinnen maken die zij sinds haar moeders dood niet meer heeft uitgesproken, en zij hoort hoe lelijk zij ze maakt, hoe scheef de klanken vallen.
Bij elke zin die zij verhaspelt, wordt de greep van de bewakers losser. Ze doen een stap terug. De hand verlaat haar elleboog.
De beambte schuift het groene paspoort terug over de balie en trekt een formulier van de stapel. Bovenaan staan vakjes: toerisme, zaken, familie, medisch, transit, verleden.
Hij streept familie door.
Vinkt verleden aan.
De pen kraakt op het papier.
‘Doorlopen.’
Sadia pakt haar paspoort. Zij wil iets zeggen – bedankt, of iets anders – maar de beambte kijkt al langs haar heen, en wuift naar de volgende.
Een taxi brengt Sadia in een wijde boog om de berg Gorgo heen naar een glooiende vlakte aan de voet van de berg. Hoger op de hellingen zijn honderden tenten opgezet voor gevluchte Europeanen die niet terug willen naar Europa, maar ook niet verder landinwaarts mogen trekken.
De chauffeur wil niet verder rijden als de auto bij een zanderig pad aankomt dat te smal is. Sadia betaalt in dirhams die zij voor een stapel waardeloos geworden euro’s heeft kunnen wisselen.
De geur die haar tegemoetkomt is de geur die ze herkent van haar jeugd: kippenmest, droge aarde en dor gebladerte. Het gerasp van de cicaden lijkt verstomd.
Zij loopt het zanderige smalle pad op, haar schoenen zijn versleten en glad, haar voeten doen pijn.
Aan het eind van het pad, ziet ze een tuin die omzoomd is met zwartgeblakerde cactussen, die kartelend de lucht in prijken. Daarachter het huis van Tamo, dat kleiner is dan zij zich herinnert. De natuurstenen muren staan nog overeind, de luiken zijn dicht.
Tegen beter weten in klopt ze aan bij de gietijzeren deur.
Niemand.
Zij haalt de sleutel uit haar binnenzak. Het is de sleutel die haar moeder haar gegeven heeft, enkele weken voor zij stierf, in een envelop met daarop in haar moeders handschrift: voor als.
Zij steekt de sleutel in het slot.
Zij draait hem om. Ze loopt over een verlaten binnenplaats. Van tante Tamo geen spoor.
Zij opent de deur naar haar oude zomervertrek. De gietijzeren deur schraapt over de stenen vloer en trekt een waaier door het zand. Op een donkerbruin kastje ligt een verkleurd Pennyboekje. Ernaast een lege pot Calvé Pindakaas, gevuld met dirhams. Sadia doet een luik open. Ze kijkt door het raam. De avondwind valt van Gorgo over de glooiende heuvels en draagt in zijn kielzog woordloze stemmen mee. In het veld eronder steken de grafzerken als gehavende kalkstenen uit de aarde, wit en grijs in de schemering. Daar liggen haar ouders.
Ze heeft haar schoenen nog aan. Op Gorgo branden de eerste lichtjes.
Tamara de Rijk – De geur van warme melk
Wit brood van vroeger,
scheur het in stukken, scheur
van de korsten, het zacht en het wit.
Doop in de dagen, doop in de nacht.
Doop het en doop het en duik de tunnel
vol melk in. Je zwemt er in stuwing,
in heimwee die klopt.
Trek recht dan, het bed van de vader
die trekt aan zijn sonde, die zegt
als het stopt, aan zijn zoon, als het stopt.
Kom, laat de vader nu zuigen,
het vocht uit de korst, proef de stem
van de moeder, de honing, de kruik.
Klop de melk en de kussens. Strijk
de wang en de nacht. Doop de vader,
de moeder. Sterf het wit en het zacht.