Inzendingen shortlistkandidaten Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2026
Op deze pagina lees je de inzendingen van de shortlistkandidaten voor de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2026.
Steven Van Der Heyden – De afstand tussen woorden
Hij zit aan tafel met zijn notitieboek open. De pagina is al dagen leeg. De koffie naast hem is koud.
Hij schrijft een zin. Even houdt die stand, stort dan weer in. Met één toetsaanslag wist hij hem uit. Hij probeert opnieuw. De woorden komen, maar blijven niet. Er lijkt iets verschoven tussen gedachte en taal. Hij weet het niet langer te volgen.
Al jaren werkt hij aan hetzelfde boek — het boek waarvan hij overtuigd is dat het ergens in hem bestaat. Hij heeft zijn leven eromheen gebouwd, met bijna religieuze toewijding. Eerst verdwenen de vriendschappen. Daarna de relaties. Uitnodigingen bleven onbeantwoord. Avonden gingen voorbij terwijl hij zichzelf ervan overtuigde dat afzondering noodzakelijk was, dat het werk die offers vroeg.
De kamer is roerloos. Het licht van een vroege aprildag drukt tegen het raam, aarzelend en bleek. Zijn telefoon trilt. Hij negeert hem. Het stopt. Begint opnieuw.
Hij draait het toestel om.
Vader.
De naam oogt vreemd op het scherm, bijna abstract. Hij kan zich niet herinneren wanneer ze voor het laatst hebben gesproken. Een jaar geleden misschien. Langer.
De stilte tussen hen had nooit ongewoon gevoeld. Zijn vader bewoog zich al decennialang in en uit zijn leven met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee andere mannen een café of een station binnenstappen. Hij verscheen wanneer iets misliep — werk, geld, een vrouw — maar knopen werden nooit doorgehakt. Beiden leken te hopen dat het touw vanzelf zou slijten.
De telefoon blijft overgaan.
Hij kijkt ernaar tot het scherm zwart wordt.
Heel even denkt hij dat dat voldoende zal zijn.
Maar de herinnering komt toch.
De laatste keer dat zijn vader langskwam, had de regen zijn jas verzwaard. Donkere plekken op de schouders maakten van de stof tegelijk een harnas en een last. Hij stond in de deuropening van de keuken alsof ze een gesprek hervatten dat slechts enkele minuten had stilgelegen. Hij sprak te luid, glimlachte te snel. Zijn blik gleed door de kamer zonder ergens te blijven rusten.
“Ik heb gewoon even wat hulp nodig.”
Het geld deed er nauwelijks nog toe. Wat bleef hangen was de snelheid waarmee zijn vader behoefte in vanzelfsprekendheid veranderde, nabijheid in een onderhandeling.
“Ik betaal je terug.”
De zin klonk ingestudeerd. Alsof de betekenis er al lang uit verdwenen was.
Hij herinnert zich hoe hij daarna aan de gootsteen stond en naar het donkere raam keek terwijl zijn vader naar sigaretten zocht in de zakken van zijn jas. Geen van beiden benoemde hoe lang het geleden was sinds het vorige bezoek. Geen van beiden stelde de vragen die tussen hen stonden als gesloten deuren.
De telefoon trilt opnieuw.
Deze keer zet hij het geluid uit.
Hij probeert terug te keren naar zijn notitieboek. Schrijft drie regels. Leest ze meteen opnieuw. De tekst voelt gewichtloos, samengesteld uit gewoonte eerder dan overtuiging. Hij weet niet langer of hij ergens naartoe schrijft of slechts bewegingen herhaalt die ooit op betekenis leken.
Buiten loeit een sirene. Het geluid sterft langzaam weg.
Als kind wachtte hij vaak op vader bij het raam van de woonkamer wanneer een bezoek was beloofd. Hij hield zijn jas lang aan, zelfs nadat het eten op was, zag hoe koplampen over het natte wegdek schoven.
Soms stuurde moeder hem naar boven.
Soms zei ze niets.
“Je hoeft niet altijd te blijven wachten,” zei ze ooit.
Toch bleef hij wachten.
Er waren uitzonderingen.
Toen hij zestien was, reed zijn vader bijna driehonderd kilometer om hem naar een dansavond te brengen waar het meisje op wie hij verliefd was zou zijn. Hij herinnerde zich de ernst van vader. Twee keer stopten ze onderweg voor koffie. Vader stelde vragen over het meisje alsof liefdesverdriet een praktisch probleem was waarop je je kon voorbereiden.
Op de terugweg luisterden ze naar Mellon Collie and the Infinite Sadness van begin tot einde terwijl de snelweg zich door de nacht ontvouwde. Tot zijn verbazing knikte vader af en toe goedkeurend bij nummers die hij normaal zonder aarzelen als lawaai zou hebben afgedaan.
Het was een van de weinige momenten waarop hij, onder de zakelijke manier waarop zijn vader zich door het leven bewoog, iets anders vermoedde. Alsof er achter al dat rekenen en verdwijnen iemand schuilging die stiekem sentimenteler was dan hij wilde toegeven.
De loyaliteit die kinderen voelen tegenover hun ouders heeft hem altijd verbaasd. Hoe iets instinctiefs kan blijven voortbestaan lang nadat het vertrouwen is afgesleten.
Zelfs nu.
Zelfs na jaren van stilte.
Nog altijd reageerde iets in hem op het woord vader met aandacht eerder dan onverschilligheid.
Even later licht een voicemailbericht op.
Hij kijkt ernaar zonder op afspelen te drukken.
Boeken liggen in stapels op de vloer. Naast zijn bureau hangen notities in een handschrift dat hem vreemd voorkomt.
Jarenlang had hij zich beschermd tegen onderbrekingen, zichzelf wijsgemaakt dat afzondering de prijs was van het schrijverschap, dat elke afleiding een bedreiging vormde voor het boek dat hij ooit zou schrijven.
Nu vroeg hij zich af of hij zijn leven rond het schrijven had opgebouwd, of gewoon een respectabele manier had gevonden om te verdwijnen.
De gedachte bleef hangen.
Hij drukt op afspelen.
Eerst ruis.
Dan ademhaling.
Daarna de stem van zijn vader.
Ouder dan hij zich herinnerde.
Kleiner ook.
“Ik weet niet of dit nog altijd je nummer is.”
Een korte stilte.
“Enfin. Je mag altijd terugbellen.”
Meer niet.
Wanneer het bericht eindigt, voelt de stilte die volgt anders dan voordien.
Minder gecontroleerd.
Hij staat op en zet het raam open.
Koude lucht stroomt naar binnen, het verkeer zwelt aan. Iemand laat een hond uit, even klinkt gelach voordat het weer oplost in de avond.
Hij heeft behoefte aan meer ruimte.
Buiten is de regen veranderd in een zachte miezer. Hij loopt de straat op en laat de vochtige lucht op zich inwerken.
Een rij oranje lichten beweegt door de schemering.
Pas wanneer de eerste vrachtwagen voorbijrijdt, ziet hij wat er wordt vervoerd.
Massieve stalen delen van een brug.
Ze liggen op de opleggers als botten van iets dat nog niet bestaat.
Hij kijkt hoe ze voorbijtrekken, één na één.
Niets is nog verbonden met elkaar.
Toch zijn alle onderdelen onderweg naar dezelfde bestemming.
De vrachtwagens verdwijnen in de regen.
Hij blijft nog even staan.
“Moet je dat nu toch eens zien,” mompelt hij.
Pas dan ziet hij meer dan losse onderdelen.
Terug binnen ligt het notitieboek nog steeds open op tafel.
Lang kijkt hij naar de lege pagina.
Dan schrijft hij een zin.
Niet om indruk te maken.
Niet om iets te bewijzen.
Gewoon omdat hij hem wil schrijven.
Deze keer laat hij hem staan.
Benoit van der Cruysse – Restwarmte
Ik pak mijn buikvel met beide handen, trek het omhoog en duw mijn vingers in de plooien. Het veert terug. Als deeg. Mijn borsten drukken op mijn polsen. Ik sluit mijn ogen, knijp in een tepel en beeld me in dat er een kind aan zuigt.
Ik scheur de verpakking open, het plastic kraakt. Ik haal de spuit eruit en houd de naald tegen het licht. De vloeistof lijkt op water. Misschien is het water. Misschien doet het niets. Ik prik links van mijn navel, tussen de geelblauwe plekken. Het brandt. Daan vraagt of het een pijnlijke was zonder op te kijken van zijn scherm. De eerste rondes keek hij op.
‘Nee.’ Ik leg de spuit op het nachtkastje, in de tweede groef naast het glas, evenwijdig met de rand. Tweede groef. Evenwijdig met de rand.
Daan zet een streepje in zijn foliumzuurschrift. ‘Goed gedaan.’
Ze heet Marieke. Op haar naamkaartje staat ‘pedagogisch medewerkster’. Ze ziet er jonger uit dan ik en heeft een getatoeëerde ring om haar vinger.
‘Waarom wil je hier werken?’ vraagt ze.
‘De eerste jaren zijn cruciaal,’ zeg ik. ‘Dan hebben ze je nog nodig.’
Ze glimlacht, kijkt naar mijn cv. ‘Heb je zelf kinderen?’
Ik denk aan Daan en de babykamer die hij als thuiskantoor inricht. Zonde om die leeg te laten, zegt hij. Telkens als ik er langsloop, tik ik tegen de deurpost.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Twee.’
‘Jongen? Meisje?’
‘Van elk één. Lotte en Theo.’
Ze lacht, met kraaienpootjes deze keer, en steekt haar hand uit. ‘Welkom.’
Ik zet de laatste spuit in mijn deegbuik. In de opvang hang ik jassen aan de genummerde haken, veeg snottebellen weg, strijk over bezwete nekken. Eén meisje heeft het blonde haar dat ik vroeger had. Ze huilt. Ik til haar op en druk mijn lippen tegen haar kruin.
‘Theo had ook zo’n fase.’
‘Hoe oud is hij nu?’ vraagt Marieke.
‘Vijf. Lotte is zeven. Acht in januari.’
‘Leuke leeftijden. Heb je foto’s?’
Ik zet het meisje neer, neem mijn telefoon. Ik open de weer-app. Dinsdag regen, woensdag zon. Ik sluit hem. Open hem weer. Dinsdag regen, woensdag zon. Ik sluit hem.
‘Mijn opslag doet weer raar.’
Ze lacht. ‘Kan gebeuren.’
‘s Avonds zit ik naast Daan op de rand van het bed. Hij kijkt naar vakantiehuizen in de Provence, zoomt telkens in en uit op de zwembaden. Ik herschik mijn apps. De ovulatietracker naast de klok, de klok naast de foto’s. En dan alles terug.
‘Je bent weer aan het schuiven,’ zegt hij en laat zich achterover vallen. Zijn ogen blijven open, zijn wimpers knipperen snel.
Mijn moeder belt. Aan haar kant klinkt het journaal. Ze zegt dat de ramen weer beslaan. Het vocht blijft gewoon op het glas staan.
‘Zet ze open,’ zeg ik.
‘Dat helpt niet.’
Ik hang op.
‘Gaat het?’ vraagt Daan.
‘Ik moet plassen.’ In de gang stop ik bij de scheurkalender. Ik trek het blaadje af en gooi de prop in de prullenbak.
‘Het ziet er beter uit dan de vorige keer,’ zegt de gynaecoloog.
‘Oké.’ Mijn armen kleven aan de leuningen. Daan loopt voorbij in de deuropening. Hij houdt zijn potje met beide handen vast en glimlacht naar een verpleegster. Ik vraag me af wat hij gekeken heeft. Mijn scherm licht op. Een bericht in de vriendinnengroep. Veronique is zwanger, haar derde. Ik druk mijn telefoon tegen de hoek van de tafel. Typ een middelvinger. Wis hem. Stuur een gezichtje met hartjesogen en een wieg. Van harte. Ik wil dat ze me belt. Dat ze huilt en zegt dat het bloeden maar niet stopt, zodat ik naar haar toe kan rijden om haar te troosten. Ze stuurt een hartje terug. Ik archiveer het gesprek en leg mijn telefoon met het scherm naar beneden op tafel.
Marieke lacht terwijl ze door de stockfoto’s op mijn telefoon scrolt. Theo in een speelgoedmand, Lotte onder de trampoline. Ik kijk mee over haar schouder, mijn duimen achter mijn riem gehaakt.
‘Ze lijken op jou,’ zegt ze.
‘Iedereen vindt dat Lotte mijn ogen heeft.’
‘Hopelijk heeft ze ook je geduld.’ Ze blijft hangen bij een foto. ‘Waar was dat?’
‘Aan zee.’
‘Oostende?’
‘Misschien neem ik ze eens mee,’ zeg ik. ‘Dan kan je ze ontmoeten.’
Ze kijkt achterom. ‘Moeten ze niet naar school?’
‘Juist.’ Ik laat mijn armen hangen. ‘Eens op een woensdagnamiddag.’
‘Zeker doen.’ Ze scrolt verder.
De gynaecoloog praat over zijn verbouwing terwijl hij de embryokatheter naar binnen schuift. Het prikt. Op de monitor komt een dun lijntje het beeld binnen en laat een trillend stipje achter. Ik vlecht mijn vingers in elkaar en houd mijn adem in. De verpleegster legt haar hand op mijn schouder.
De gynaecoloog trekt zijn handschoenen uit en rolt zijn kruk naar het bureau.
‘Zo,’ zegt hij. ‘Twee weken geen fysieke activiteiten. Luister goed naar uw lichaam.’
Die avond bel ik oma. Ik zet haar op luidspreker.
‘En?’ vraagt ze. ‘Hoe is het gegaan?’
‘Ik hoefde niets te doen.’
‘In mijn tijd moesten we met de benen in de lucht.’
Ik lach, trek een gespleten haar verder open. ‘Tijden veranderen.’
‘Nou, als het maar plakt.’
‘We zien wel.’
‘Doen we.’
Ik dep mezelf af op het toilet en verwacht bloed en klonters. Het is een bruin vlekje. Online lees ik dat het de innesteling kan zijn. Als Daan de deur uit is, ga ik op bed liggen, mijn gezicht naar de spiegel. Ik stop een kussen onder mijn nachthemd en leg mijn handen op de bolling. In de Notities-app typ ik een bericht voor de groep. Het is gelukt. Ons kind is gezond. Drie en een halve kilo.
Een hoek van het kussen steekt uit. Ik druk mijn tanden op elkaar, wis de tekst en sluit mijn ogen.
De kramp zit links onderaan. Ik zoek het op.
‘Zit je weer op dat forum?’ zegt Daan. ‘Je verdoet je tijd.’
‘Ik voel iets.’
Hij legt zijn telefoon weg. ‘Je voelt elke zes uur iets.’
‘Charmant.’
‘Het lukt wel.’ Hij draait zich naar de muur. ‘We doen alles juist.’
Ik leg mijn hand op de plek van de kramp. Daans scherm dooft. Hij snurkt al. Ik kijk naar het haar rond zijn navel, op zijn borst, op zijn armen.
De doos in de babykamer deukt in onder mijn gewicht. Met mijn hand bedek ik het controlevenster van de test. Ik wacht vijf minuten en verschuif mijn vingers. Eén streepje. Ik staar ernaar tot ik scheel kijk en het er twee worden. Ik trek mijn knieën op, leg de test naast me neer. Buiten rijdt een auto voorbij. Ik stuur Marieke dat Theo koorts heeft en ik later kom.
In de opvang hangt de geur van soep en natte jassen. Ik knip stroken papier, ruim lijmpotten op en dans met de kinderen, hun vingers als haakjes om de mijne. Als het schemert ligt het blonde meisje tegen mijn schouder, haar adem warm in mijn nek. Ik trek haar jas recht. De rits drukt door mijn blouse. Ik ga aan het raam staan. De verwarming onder de vensterbank tikt. De andere ruimtes zijn donker. Iedereen is opgehaald, Marieke is naar huis. Het meisje nestelt zich dieper tegen me aan. Ik laat haar zakken op mijn bil en maak het bovenste knoopje van mijn blouse los.
Mariano Perez van Poecke – As
De eerste keer dat zij hem weer zag was direct na het uitstrooien van zijn as, een aantal maanden na zijn crematie. Ze had het kanaal uitgekozen waar hij uren kon doorbrengen, turend over het water en zijn dobber. De familie had koffie bij haar gedronken met een stukje appeltaart, daarna waren ze in processie naar de kanaaloever vertrokken. De urn stond naast haar op de bijrijdersstoel, ze had voor alle zekerheid de veiligheidsriem rond de bolling van de kruik bevestigd.
De warmte van een bleke zon deed een enkeling het zweet van het voorhoofd vegen met een zakdoek. Er stond een lauwe wind. Zomer onder een lentekleed, sap dat uit de bomen barstte. Ze kantelde de urn. De as wervelde over het water en zonk toen weg in de zilveren golfjes. Op een tak in een van de wilgen langs de oever zaten twee raven die de ceremonie volgden.
Toen de laatste as met de wind was meegedreven, ervoer ze een intense stilte. Een stilte die zich aan de randen van haar gedachten vastzette.
Ze parkeerde de auto op de oprit, nam de lege urn onder haar arm en liep naar de voordeur. Hij stond in de deuropening alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Niet dramatisch, niet in een wit, lichtgevend aureool of in een habijt, maar in een oude rode polo, de stof iets te strak gespannen rond zijn buik, alsof de tijd hem ongemerkt had ingehaald. Alsof hij zojuist uit de tuinschuur was komen lopen. Wat haar het meeste trof was de luciditeit waarmee ze hem waarnam.
‘Je bent eindelijk thuis,’ zei hij. Typisch Anton, een ongeduldige man. Ze schrok van zijn stem en knikte. Het leek haar verstandig om niets te ontkennen. De doden dulden vast geen tegenspraak, het is een vorm van hoogmoed. Ze bewoog zich langs hem heen, zonder hem te raken. Het viel haar op dat hij er wel was, maar dat hij geen gewicht leek te hebben, de grond niet leek te raken. Ze deed een stap naar voren. Op datzelfde ogenblik leek het licht te verschuiven. De schaduw brak, hergroepeerde zich en de deuropening was leeg. Alleen de deurpost, kaal en onbewogen, bleef over.
Het huis rook nog naar bloemen, zoet en zuur tegelijk. De kopjes stonden onaangeroerd op het aanrecht; de lepeltjes kleefden vast in bruine, gestolde suiker. Ze zette het raam open, maar de lucht wilde niet naar binnen. Of naar buiten. Alsof het huis zich verzette tegen verversing, tegen alles wat verderging. De ochtendwind was gaan liggen.
Hij verscheen weer in een ooghoek en volgde haar naar de kamer waar de stoel nog scheef stond, omdat iemand er haastig uit was opgestaan. Het is merkwaardig hoe een ruimte exact de laatste momenten van een tragedie vasthoudt, als een foto zonder mensen erop. Als de afdruk van een vuist in een homp zachte klei. Ze had het nauwgezet in stand gehouden.
‘Je hebt nog niets veranderd,’ zei hij. Hij keek de ruime woonkeuken in.
‘Het leek me’, ze zocht naar woorden. Hij was er immers niet bij geweest, de fatale dag dat ze naar het ziekenhuis werd geroepen. Hoorde ze zichzelf daadwerkelijk hardop praten? Ze rilde van het feit dat al zijn woorden nieuw waren.
´Gepast?´, vroeg Anton. Hij glimlachte. Die glimlach was bekend, het was de lach van iemand die iets achterhield dat hij pas later prijs zou geven. Nu was er geen later meer. Of juist alleen nog maar later. Ze ging zitten aan de keukentafel. Hij bleef staan. Het licht van de namiddag viel door het raam en brak zich in de ruit, zodat zijn gezicht soms uit lijnen bestond en soms uit schaduwen. Ze vroeg zich af waarom het licht hem niet uitwiste.
‘Waar was je?’ vroeg ze. Ze kneep haar ogen samen. Vermoeidheid viel over haar heen als een klamme deken. Er volgde een stilte waarin de koelkast aansloeg. Het was de meest elementaire vraag die zij kon stellen. De dood fascineerde haar intens. Niet uitsluitend het bewegingsloze eraan, maar het onomkeerbare…weg. Hoezo weg? Weg waarheen? Vooral dát kwelde haar, de vraag waarheen. Ze wilde hem terughalen. Ze wilde weten of er een ziel is en of de ziel los kan komen van het lichaam en zo ja hoe hij ervan loskomt, door een natuurlijke opening of via de schedel zoals de lichaamswarmte?
‘Dat weet ik niet’, antwoordde hij na een tijdje.
Ze voelde hoe de dagen van de afgelopen week zich in haar opstapelden als natte kleren: zwaar, zonder vorm, moeilijk te dragen. Ze had gedacht dat rouw een lineair gegeven zou zijn, van gebeurtenis naar aanvaarding. In plaats daarvan was het een kamer zonder deuren, waarin de meubels op smerige wijze verschoven. Waardoor je steeds weer tegen dingen op botste als je niet uitkeek.
‘Waarom nu, Anton?’ vroeg ze. Haar woorden resoneerden hard en vreemd in de lege keuken.
‘Omdat je me hebt geroepen, lieverd.’
Ze dacht aan de nachten waarin ze zijn naam niet hardop had gezegd, maar wel had gedacht. Was dat ook een vorm van roepen? Ze wilde niet toegeven aan de drang om te spreken tegen iemand die er niet meer was. Niet gek worden. Toch had ze haar gemis wel uit willen schreeuwen. Maar ze had alle woorden ingeslikt, tot ze happend naar adem wakker schrok.
‘Je moet straks wel weer weg’ zei ze toen. Ze slikte en keek even weg. Hij knikte langzaam, ze had blijkbaar iets gezegd dat hij al wist.
‘Dat kan. Maar je kunt me ook een tijdje houden. Ik weet zeker dat je aan me zult wennen.’
Ze zag het voor zich: zijn aanwezigheid als een dagelijkse realiteit, een man met een schaduw die zich niet aan de stand van de zon hield. Gesprekken -over wat?- die nergens op uitliepen, maar toch vertrouwd waren. En zij, die zou leren spreken zonder antwoord te verwachten, en toch antwoorden zou horen.
‘En wat levert mij dat op?’
‘Je zult mij makkelijker kunnen vergeten’ zei hij. ‘Eerst alleen de kleine dingen, het geruis. Namen, data. De kleur van een stoel. Later dat wat groter is. Je zult op termijn kunnen zeggen dat het minder erg wordt. Dat je liever kiest voor wat achterblijft. Wat er wél is. Dat wens ik je toe. Ab imo pectore.’
Hier sprak de slagerszoon die het gymnasium doorliep en ingenieur werd. Ze dacht aan de stoel, scheef, en aan de bloemen die hun vorm straks verloren. Aan de manier waarop een leven zich laat samenvatten tot een reeks voorwerpen, als je niet oppast. Ze dacht ook aan de leegte die zich gedraagt als een overtuiging met dictatoriale trekjes: dat dát wat er niet is, het meest aanwezig wordt.
‘En als ik je nu laat gaan?’
‘Dan ga ik,’ zei hij.
Hij keek haar aan, en voor het eerst leek hij vermoeid. Hij had blijkbaar lang op haar gewacht. Als Gij er zijt, wees dan aanwezig, dacht zij. Ze moest opeens aan Gezang 948 denken.
‘Blijf nog even,’ zei ze. ‘Alleen vandaag.’
‘Vandaag bestaat voor mij niet,’ zei hij zacht. ‘Maar ik kan doen alsof.’
Hij ging zitten, tegenover haar, en voor een ogenblik leek alles in de kamer zich te schikken naar dat simpele feit: twee mensen, aan weerszijden van een tafel. Zij vertelde hem over de uitstrooiing, maar in een andere volgorde, met andere nuances. Over de as die deels over haar schoenen was gedwarreld en de raven in de boom. Ze merkte dat gesproken woorden makkelijker in de werkelijkheid passen.
Toen het donker werd, stond hij op. Zij ook. Ze liepen naar de deur.
‘Je zult mij niet meer zien,’ zei hij.
Ze knikte. Ze had het geweten vanaf het moment dat zij hem had zien staan. Ze opende de deur verder, zodat het duister zichtbaar werd. Er hing een dunne mist. Ze begon opeens te twijfelen over haar beslissing. Hij stapte naar buiten en keek nog een keer om. Toen verdween hij in de nevel. Zij bleef staan tot zij hem niet meer zag. Ze hief weifelend haar hand op om te zwaaien. Toen sloot ze de deur. In het huis was het stil. Ze liep naar de kamer en betastte de stoel waarop hij gezeten had. De zitting was koud. Ze zette de andere stoel recht, zette de bloemen in een vaas. Het waren kleine handelingen, bijna belachelijk in hun eenvoud. Maar ze hadden gewicht. Ze bevestigden dat de dingen hun plaats hadden, en dat die plaats niet afhankelijk was van wat zij had verloren.
In bed, noemde ze zijn naam niet. Ze deed haar best om ook niet aan hem te denken, hoewel dat onmogelijk bleek. Het was een routine die zich elke nacht opnieuw zou moeten bewijzen. Toen zij eindelijk sliep, droomde zij van een kamer met open ramen, waarin de lucht zich vrij bewoog. Dat leek haar later, bij het ontwaken, een goed begin. En terwijl zij daar lag, onbeweeglijk en stil, drong zich één vraag op: als zij hem had gezien, had hij haar dan nog niet verlaten?
Tamara de Rijk – De geur van warme melk
Wit brood van vroeger,
scheur het in stukken, scheur
van de korsten, het zacht en het wit.
Doop in de dagen, doop in de nacht.
Doop het en doop het en duik de tunnel
vol melk in. Je zwemt er in stuwing,
in heimwee die klopt.
Trek recht dan, het bed van de vader
die trekt aan zijn sonde, die zegt
als het stopt, aan zijn zoon, als het stopt.
Kom, laat de vader nu zuigen,
het vocht uit de korst, proef de stem
van de moeder, de honing, de kruik.
Klop de melk en de kussens. Strijk
de wang en de nacht. Doop de vader,
de moeder. Sterf het wit en het zacht.
Augustin Grènne – Proprioceptie
in de nacht vind ik soms mijn lichaam niet
grijp ik naar een arm en tref ik vlees
spieren met huid omhuld
tattoo op een pols die de mijne moet zijn
de eenzaamheid onder dit laken laat geen twijfel toe
amper dertig en al zo veel dagen toegedekt
ze liggen naast me onder het verzwaarde deken
zitten op hielen van voeten die me toebehoren maar
met moeite dragen kunnen
mijn hoofd is nooit eens zoek
altijd weet ik waar mijn kaken zijn
daarin klem ik herinnering
aan wat ik kon
nog steeds moet zijn van mezelf
verbijten houdt me bij elkaar
Sandrijn Swarts – Bij het schoenwinkeltje met de Franse naam
De pizzadoos op zijn schoot is warm. Vijf servetjes, denkt Mike, wat moet hij met vijf servetjes. Het Italiaanse meisje dat gebrekkig Engels sprak had ze met het pinbonnetje bovenop zijn bestelling gesmakt, als een kantinejuf die op de automatische piloot een lepel saus neerkwakte. Hij legt het stapeltje onder zijn laptoptas die naast hem op het bankje staat. De zon zakt bijna achter de herenhuizen aan de rand van het park. Voor hem op het grasveld delen drie jongens en twee meisjes een oranjebruin mandalakleed. Naast hen sleept een kraai met een stuk stokbrood. Er klinkt elektronische muziek uit een boxje. Het meisje in kleermakerszit schenkt rosé in plastic bekertjes, haar polsen hangen vol met kralenarmbandjes. Een van de jongens kriebelt de rug van het andere meisje, ze draagt een bikinitopje, als een spin loopt hij omhoog, over het koordje, naar haar nek, tot de grens van haar haren. Ze wappert achter zich en trekt haar paardenstaart met twee handen strakker, haar armen steken als olifantsoren uit. De jongen gaat achteroverliggen met zijn hoofd op een verfrommelde trui en zijn benen over elkaar, zijn voet wipt mee op de eentonige melodie. Het meisje kruipt tegen hem aan. Ze likt zijn hals. Mike klapt de doos open. Ze hebben hem de verkeerde pizza meegegeven.
Ruim een uur geleden pakte Jacco het laatste Heinekenflesje uit de champagnekoeler. Hij zette de kroon tegen de rand van de bartafel en sloeg hem met één tik los. Ze stonden op de stoep voor hun kantoor op de Keizersgracht, Mike op de tweede rij, achter Jolijn en Heleen van marketing. Zijn overhemd plakte aan zijn rug, zijn mouwen had hij opgestroopt. De zon weerkaatste via voorbijrijdende auto’s in zijn ogen. Hij dronk zijn tweede biertje in tien minuten. Jacco vroeg aan Marieke wat haar plannen voor het weekend waren. Ze had haar zonnebril op en frunnikte aan een ringetje in haar oorschelp. Haar elleboog stootte tegen Jacco’s schouder, ze verontschuldigde zich er niet voor. ‘Morgen naar een festival,’ zei ze. ‘Als ik een kaartje kan regelen.’
‘Awakenings?’
‘Ga jij ook?’
‘Een vriend van me heeft een ticket over. Zal ik hem appen?’
‘Als je dat wilt doen,’ zei ze. ‘Graag.’
‘En zondag uitbrakken?’
‘Ik moet ’s middags naar een verjaardag.’ Ze deed haar zonnebril af en haakte hem ingeklapt aan de boord van haar shirtje.
‘Een reparatiebiertje helpt je daar wel doorheen,’ zei Jacco.
Mike nam een slok. De drank was lauw geworden, hij liet het koolzuur tegen zijn gehemelte prikken voordat hij doorslikte.
‘Via een datingapp,’ zei Jolijn. Heleen en zij waren hun eigen gesprek begonnen.
‘Bumble?’ vroeg Heleen.
Verderop werd getoeterd. Een man in een oranje PostNL-uniform droeg pakketjes uit een busje dat de straat versperde. Hij negeerde de claxons die nu uit meerdere auto’s klonken.
‘En wat gaat onze Mike dit weekend doen?’ Jacco roffelde op de tafel.
‘Ik heb een tenniswedstrijd,’ zei Mike.
Jolijn en Heleen draaiden zich naar hem om.
‘Natuurlijk,’ zei Jacco.
Er werd gelachen.
‘Dubbel of enkel?’ vroeg Jolijn.
‘Enkel. Voor het clubtoernooi.’
‘En verder?’ vroeg Jacco.
Jolijn trok haar telefoon uit haar kontzak. ‘Zal ik een foto van hem laten zien?’ vroeg ze aan Heleen. ‘Hij is één meter drieënnegentig.’
‘De rest hou ik open voor spontaniteit,’ zei Mike.
Jacco keerde zijn biertje op de kop. De laatste druppels lekten op de tegels. ‘Tijd om te gaan.’ Hij slingerde zoveel mogelijk lege flesjes tussen zijn vingers en bracht ze naar binnen. De anderen volgden. Mike hoorde via het open raam het gerinkel van glas dat in kratten werd geplaatst. Een voor een kwamen ze naar buiten met hun tassen, uit sommige puilde een jas, in de ochtend was het nog koud geweest. Dag Mike, zeiden ze, fijn weekend. Om de beurt sloegen ze aan het einde van de straat linksaf. Mike leunde met zijn ellebogen op de tafel die onder zijn gewicht wiebelde op de scheve klinkers. Hij zag voor zich hoe zijn collega’s om de hoek verzamelden bij het schoenwinkeltje met de Franse naam, hoe ze samen verderliepen door de Jordaan, hoe Jacco een arm om Marieke heen sloeg, haar zonnebril afpakte en opzette, hoe Jolijn en Heleen inzoomden op elkaars potentiële vriendjes, hoe ze de stoelen op het terras achteruitschoven en neerstreken bij het café dat ze eerder die dag gepind hadden in ‘Vrimibooz’, hun besloten groepsapp waarover een nieuwe medewerker zich tegenover Mike een keer versproken had.
De champignons zijn niet vers, ze glanzen. Mike peutert ze van de pizza en frummelt ze op de grond. Hij scheurt een punt los, slierten mozzarella rekken uit, een plak salami glijdt van de bodem terug in de doos. De muziek wordt harder gezet, het meisje met de paardenstaart reikt naar het boxje alsof ze vanuit bed een afgaande wekker afslaat. De zon is voor de helft achter de gebouwen verdwenen, de schaduwlijn snijdt door het groepje. Ook het meisje met de kralenarmbandjes vlijt zich tegen de liggende jongen aan. Hij blaast een pluk van haar donkere haar van zijn gezicht. De meisjes hebben allebei hun telefoon vast, hun duimen razen over het scherm, ze negeren de twee jongens die met een bal opstaan. De langste wil hem hooghouden, hij ketst tegen zijn scheen weg. Hij probeert het opnieuw, drie keer raakt hij hem. Hij tikt over naar de jongen die een kop kleiner is, en stevig, zijn sportbroekje spant te strak om zijn bovenbenen. Zijn huid is verbrand, vooral aan de voorkant van zijn lijf. Hij is behendiger met de bal, maar het kralenmeisje voor wie hij zich lijkt uit te sloven blijft alleen geboeid door haar mobiel. Misschien was ze op een eerdere dronken vrijdag in het park nog van hem, had hij haar na wat voelen in het gras meegenomen naar zijn studentenkamer, een muf hok met gesloten gordijnen, en had hij haar op zijn onopgemaakte bed gelegd, tussen de papieren van zijn studie die ritselden toen hij zijn worstenvinger te ruw bij haar naar binnen bracht. Nu trippelen de vingers van een andere jongen via haar kin naar haar mond. Het kralenmeisje hapt naar zijn duim. De dikke jongen schopt tegen de bal, hij vliegt voorbij de
lange gast en landt een paar meter voor Mike, hij stuitert door en houdt vlak voor zijn voeten
stil. Zonder van hun plek te komen kijken de jongens naar Mike. ‘Hier,’ zegt de lange gast.
De dikke jongen steekt een hand op, een witte plooi vouwt uit onder zijn rode borst. ‘Naar
ons.’ Mike rolt een plakje salami op en stopt het in zijn mond. Er valt een druppel tomatensaus
op zijn overhemd. De jongens wisselen een blik.
‘Gast,’ zegt de een. ‘Schiet hem terug.’
‘Wat is je probleem?’ roept de ander.
De meisjes laten hun telefoon zakken.
‘Moeten we hem komen halen?’ De lange gast zet een stap in Mikes richting.
Mike trekt een servetje onder zijn laptoptas weg, maakt het nat met spuug en dept de vlek
op zijn mouw.
Taoufik Abou – Gorgo
Sadia staat eindelijk bij de douanepoortjes waar ze zo lang voor had gereisd, bij het punt waar alle wegen, bussen, wachtrijen samen komen, tot een paar metalen poortjes en een man achter glas. Terwijl ze langzaam met de rij mee naar voren schuift, ziet ze voorbij de ijzeren hekken achter okergele postmoderne flats de dode vulkaan Gorgo. De berg die Marokko van het Spaanse Melilla scheidt. Achter die berg woont Sadia’s tante, tante Tamo. De zon prikt onder Sadia’s shirt; zij krabt terwijl haar gezicht verstrakt. Een bewaker kijkt haar aan. Gauw trekt zij haar wenkbrauwen en mondhoeken in twee moeizame krullen omhoog. Een lange, sjofele man staat bij het douaneloket. De beambte achter het raam tikt aan zijn eigen hoofd. De man tikt aan zijn pet. Een knik. Hij zet de pet af. Een linnen doek die zijn nek tegen de zon beschermde, glijdt mee en valt op de grond. Hij bukt, raapt op, strijkt door zijn blonde vlassige haar. De beambte kijkt hem aan. Een ademlengte. Twee. Dan schudt hij zijn hoofd en duwt het bordeauxrode paspoort terug door het luikje. De blonde man heft zijn handen waarna twee bewakers hem vastgrijpen, eerst kalm en daarna hardhandig wanneer de man zich verzet. Na enkele bewegingen ligt hij met zijn gezicht tegen het asfalt. Hij krijst I am not a terrorist! Sadia’s hand omklemt de harde omslag van haar paspoort in haar binnenzak. Zij haalt het eruit, alsof zij zich ervan wil vergewissen dat het er nog is. Zij kijkt naar de groene kaft: Royaume du Maroc, de gouden letters zijn afgesleten. De geur van oud zweet en stof dringt haar neus binnen. De beambte achter het loket, een man met stug zwart haar, en een wit oog krabbelt onverstoorbaar door terwijl de man voor hem wordt weggesleept. De beambte draait zijn hoofd en aanschouwt de rij, bij Sadia stopt hij, hij wuift naar haar. Sadia haalt diep adem en loopt naar voren. De beambte legt zijn pen neer . De rechterhelft van zijn gezicht beweegt mee als hij opkijkt; de linkerhelft blijft staan, als een masker waarvan de helft verstijfd is.
“Reden van bezoek.”
“Familiebezoek.”
“Wat voor familie?”
“Ik bezoek mijn tante, Tante Tamo, in Ait Sidel.” Haar stem klinkt te zacht.
Zij schraapt haar keel. “Mijn geschiedenis is – het Arabische woord ontschiet haar – mon histoire, mi historia está aquí”. Ze weigerde dit gesprek vooraf voor te bereiden, dat hoeft niet, vindt ze. Dat wil ze ook niet.
De beambte schrijft iets op. Hij bladert door Sadia’s paspoort, bladzij voor bladzij, alsof er ergens stempels moeten staan die hij niet kan vinden. Zijn blik gaat opnieuw langs de bio-pagina met haar gegevens. Hij kijkt op. Het ene oog vindt haar, het andere oog richt zich in het luchtledige.
“Ben je geboren in Amsterdam?”
Na een korte aarzeling knikt ze.
“Je Nederkaapse papieren.”
Sadia voelt iets zwaars zakken in haar buik. Zij pakt haar Nederlandse ID. Zij weet, voor zij het overhandigt, dat het geen zin heeft. Zij doet het toch. De beambte houdt het pasje vast tussen duim en wijsvinger. Luid tikt hij op een regel in het pasje.
“Ongeldig, andere papieren graag.”
Sadia bijt op haar tong. Ik ben Amsterdammer, mijn ouders zijn verdreven naar Maastricht toen ik twee was. Dat wil ze zeggen, maar ze zegt het niet.
“De Nederkaapse autoriteiten. Ik heb een verblyfpermyt, geen paspoort.”
“Afgegeven door wie?”
“Door de autoriteiten daar.”
“Welke autoriteiten?”
“De Nederkaapse.”
De beambte kijkt op. Het ene oog blijft op het document. “Je bent dus geen staatsburger.”
“Ik ben Nederlands, en Marokkaans.”
“Waar wonen je ouders?”
“Zij woonden in Amsterdam maar oorspronkelijk kwamen ze uit Ait Sidel, het dorp recht
achter die berg.” Ze wijst naar Gorgo.
De beambte knikt, één keer, alsof hij iets bevestigd ziet. Hij pakt een ander formulier. Hij vraagt naar Sadia’s werkgever. Of zij familie heeft in Ait Sidel. Sadia knikt. En in Nador, Al Hoceima, Berkane. Hoeveel contant geld zij bij zich heeft. Of zij gezond is. Hoe lang zij blijft. Wie haar tante is, wat haar meisjesnaam is. Of zij eerder is geweigerd aan een grens. Of zij politieke affiliaties heeft. Waar, wanneer, waarom. Sommige antwoorden weet zij, maar over te veel antwoorden moet ze nadenken. De beambte schuift haar verblijfsvergunning naar haar terug.
“Onvoldoende,” zegt hij.
Achter haar hoort zij voetstappen: twee paar, langzaam over de zanderige grond naderen. Een hand voelt ze op haar elleboog, niet hard.
“Alsjeblieft.” Het komt eruit in het Nederlands. Zij hoort het pas als het er is. Zij probeert het in het Arabisch – allaydik – maar ze struikelt over de woorden. Spaans dan: “Escucha, por favor-” en weer hapert zij? Wat is het zinnetje dat hier past? De hand omklemt haar elleboog. Ze voelt de moed in haar schoenen zakken.
“Yemma o wawa aqyen dèh,” zegt zij. Mijn ouders zijn hier.
“Mijn ouders liggen hier achter deze berg begraven.”
Het is geen hele zin, het is zoals een kind het uitspreekt. De beambte heft zijn hand op. De bewakers aarzelen.
“Wacht.” Hij zegt het in het Arabisch. Dan, langzaam, in iets anders: “T’sawarar T’mazight?”
Spreek je Riffijns? Sadia knikt. De beambte leunt naar voren. Hij zegt iets -een zin, niet kort – en Sadia verstaat de helft. Iets over een dorp. Iets met waar en moeder.
Zij probeert. “Mijn moeder kwam – yemma inu tusa-d zi -” Zij weet de naam van het dorp. Zij heeft hem honderd keer gehoord. Zij ziet de keuken, de tegels, haar moeder bij het fornuis in hun vakantiehuis. Iets in het gezicht van de beambte verschuift. Niet warm. Eerder erkenning. Hij stelt nog een vraag. Sadia antwoordt. Ook hij moet zijn Riffijnse woorden zoeken. Hij stelt er nog een. Sadia hoort zichzelf zinnen maken die zij sinds haar moeders dood niet meer heeft uitgesproken, en zij hoort hoe lelijk zij ze maakt, hoe scheef de klanken vallen. Bij elke zin die zij verhaspelt, wordt de greep van de bewakers losser. Ze doen een stap terug. De hand verlaat haar elleboog. De beambte schuift het groene paspoort terug over de balie en trekt een formulier van de stapel. Bovenaan staan vakjes: toerisme, zaken, familie, medisch, transit, verleden. Hij streept familie door. Vinkt verleden aan. De pen kraakt op het papier.
‘Doorlopen.’
Sadia pakt haar paspoort. Zij wil iets zeggen – bedankt, of iets anders – maar de beambte kijkt al langs haar heen, en wuift naar de volgende. Een taxi brengt Sadia in een wijde boog om de berg Gorgo heen naar een glooiende vlakte aan de voet van de berg. Hoger op de hellingen zijn honderden tenten opgezet voor gevluchte Europeanen die niet terug willen naar Europa, maar ook niet verder landinwaarts mogen trekken. De chauffeur wil niet verder rijden als de auto bij een zanderig pad aankomt dat te smal is. Sadia betaalt in dirhams die zij voor een stapel waardeloos geworden euro’s heeft kunnen wisselen. De geur die haar tegemoetkomt is de geur die ze herkent van haar jeugd: kippenmest, droge aarde en dor gebladerte. Het gerasp van de cicaden lijkt verstomd. Zij loopt het zanderige smalle pad op, haar schoenen zijn versleten en glad, haar voeten doen pijn. Aan het eind van het pad, ziet ze een tuin die omzoomd is met zwartgeblakerde cactussen, die kartelend de lucht in prijken. Daarachter het huis van Tamo, dat kleiner is dan zij zich herinnert. De natuurstenen muren staan nog overeind, de luiken zijn dicht. Tegen beter weten in klopt ze aan bij de gietijzeren deur.
Niemand.
Zij haalt de sleutel uit haar binnenzak. Het is de sleutel die haar moeder haar gegeven heeft, enkele weken voor zij stierf, in een envelop met daarop in haar moeders handschrift: voor als.
Zij steekt de sleutel in het slot.
Zij draait hem om. Ze loopt over een verlaten binnenplaats. Van tante Tamo geen spoor. Zij opent de deur naar haar oude zomervertrek. De gietijzeren deur schraapt over de stenen vloer en trekt een waaier door het zand. Op een donkerbruin kastje ligt een verkleurd Pennyboekje. Ernaast een lege pot Calvé Pindakaas, gevuld met dirhams. Sadia doet een luik open. Ze kijkt door het raam. De avondwind valt van Gorgo over de glooiende heuvels en draagt in zijn kielzog woordloze stemmen mee. In het veld eronder steken de grafzerken als gehavende kalkstenen uit de aarde, wit en grijs in de schemering. Daar liggen haar ouders. Ze heeft haar schoenen nog aan. Op Gorgo branden de eerste lichtjes.
Sjoerd Bisselink – De greep
Het duurt ongeveer 10 seconden voor ze doorheeft dat het alarm, de sirene, de explosie van casino-geluiden, van haar automaat komt. Ze kijkt naar het scherm van de gokkast, ze ziet veel verschillende letters en cijfers en een paar Ierse Kabouters, maar een winnende combinatie ontbreekt. Eigenlijk snapt ze de hele tijd al niet waarom ze soms wint.
Ze voelt de huid onder haar jurk klam worden. Het geluid van kermis en vallende muntjes blijft zich maar herhalen. Boven haar hoofd springt een scherm aan dat ze nog niet eerder had opgemerkt. Ze ziet een bedrag dat maar blijft oplopen. Boven op de automaat draait er een zwaailicht. Alleen bij haar.
Om haar heen begint het te bewegen. Een man met een doodgeslagen biertje draait zich om. Een oude vrouw begint te klappen zonder te weten waarvoor. Ze weet zich geen houding te geven en kijkt schichtig om zich heen. Kan dit geluid stoppen? De teller tikt maar door, blijft even hangen op € 4.223.634, maar gaat dan weer verder omhoog.
Passerende gokkers knikken vriendelijk of blijven staan. Ze komt van haar kruk en zet duizelig een stap naar achter op het drukke tapijt. Ze scant de gezichten om haar heen, veegt wat nattigheid van haar voorhoofd, en ziet tot haar opluchting niet haar man en dochter. Maar kan dit geluid nú stoppen!?
En dan is het stil. Alleen de sensatiezoekers om haar heen murmelen na. Onder het rode draaiende zwaailicht leest ze: € 7.600.000.
Het personeel is er snel. Een vrouw met een badge en een oortje. Een jongen met een iPad. En daarachter een man in een te strak pak die al glimlacht voordat hij haar bereikt.
“Mevrouw, gefeliciteerd, wat een avond.” Hij pakt haar hand. Zijn hand is droog en warm en hij houdt de hare net iets te lang vast. Hij ruikt naar iets zoets, en knoflook, en sigarettenrook, en ze zou er zo van kunnen kotsen, maar ze slikt het weg.
Ze knikt. Ze hoort hem praten over een privéruimte, een financieel adviseur die nog even kan aanschuiven, “we raden aan om verstandig om te gaan met een bedrag als dit, er zijn partijen die…”. De jongen met de iPad komt erbij en kantelt ‘m omhoog. “Heel kleinschalig, alleen voor onze kanalen, u mag uw gezicht laten…”
“Geen foto”, zegt ze resoluut.
In de verte ziet ze haar man. Hij legt Nora de blackjack-regels uit en Nora lacht te uitbundig. Negentien is ze. Ze heeft zichzelf die lach een paar jaar geleden aangemeten.
Doe eens iets samen, zei de therapeut. Als gezin. Een uitje. Iets nieuws. Het voelt zinloos. Ze had hier al geen zin meer in. En nu staan zij daar samen aan die tafel. En zij hier alleen, 7,6 miljoen zwaarder.
“Ik wil het stil houden”, fluistert ze tegen de man in het pak. “Anoniem. Kan dat?”
“Dat kan worden geregeld, mevrouw. Er zijn formulieren, een legitimatie, een rekeningnummer.” Hij laat een stilte vallen waarin hij vriendelijk blijft kijken. “Maar een bedrag als dit blijft niet vanzelf geheim. Daar moet u goed over nadenken.”
“Ik denk er al over na.”
Ze heeft een moment nodig. Ze zegt iets over de wc en loopt weg voordat iemand kan meelopen.
Ze draait de deur op slot en gaat zitten op de bril. Ze zet haar ellebogen op haar benen en laat haar zware hoofd vallen in haar handen. Ze denkt na, maar er schieten zoveel gedachten door haar hoofd, dat ze verdwijnen in de storm voordat ze er een vast kan grijpen.
Met een trillende hand pakt ze haar telefoon. Whatsapp. Ze scrolt langs de gezinsgroep, langs haar man, langs alles en iedereen, naar het lege gesprek met Olaf. Collega, staat er tussen haakjes achter zijn naam, om dat te benadrukken voor elke meelezer.
Onder zijn naam staat het: online. Het kleine woordje betekent dat hij wakker is, met een telefoon in zijn hand, net als zij.
Haar duimen hangen boven het toetsenbord. Ze zou kunnen typen: ik moet je iets vertellen. Ze zou kunnen typen: ik ga weg. Ze zou kunnen typen: hoi.
Maar ze drukt het scherm uit. Zwart. In het glas ziet ze haar eigen gezicht, ouder dan ze het zich herinnert. Ze stuurt niets.
Ze probeert te denken wat ze met het geld kan doen. Ze denkt niet aan een huis, ze denkt niet aan een auto, ze denkt niet aan vrij van het werk. Ze denkt steeds aan haar man, en ze denkt aan een deur. Een deur met een slot waar alleen zij de sleutel van heeft.
Ze stopt de telefoon weg, veegt met haar vinger onder haar oog, kijkt of er iets is uitgelopen, maar er zit niets, ze huilt niet, ze huilt al maanden niet meer.
Terug op de vloer probeert ze ongezien richting haar gokkast te lopen. Als ze er bijna is ziet ze dat de drukte weg is, de ramptoeristen zijn vertrokken. “Mama?”
Nora loopt naar haar toe met een vol glas spa rood. Ze probeert haar gezicht in een normale stand te zetten, wat haar net lukt, ze oefent het al twintig jaar, maar het kost meer moeite dan ooit.
Nora kijkt naar haar zoals ze naar de grijze lucht kijkt voordat ze naar buiten moet.
En terwijl ze elkaar aankijken, moeder en dochter, ziet ze dat ze het weet. Dat Nora het weet. Niet van het geld, maar van al het andere. Van het ding dat ze bij de therapeut niet zeggen. Het enge ding waar alle opdrachten en spelletjesavonden en dankbaarheidsdagboeken overheen worden geplamuurd. Dat Nora het al heel lang weet, en het al heel lang voorzichtig vasthoudt, met twee handen, zoals je een gebarsten schaal vasthoudt boven een stenen vloer.
Ze ziet bij de gokkast de casinomedewerkers naar haar wijzen. De vrouw zegt iets in haar oortje.
Op dat moment voelt ze een hand op haar onderrug. “Waar was jij die hele tijd?” Ze hoort haar man en die scherpe neerbuigende rand in zijn stem die hij bewaart voor haar. Ze voelt zijn hand branden door haar jurk heen, en haar lichaam wil weer in de reflex schieten, in de angst, in de neiging om zich klein te maken, lichter, om er niet te zijn.
“Odette, waar wás jij al die tijd”, zegt haar man nu dwingender.
De casinoman in het strakke pak komt er nu snel aangelopen, en hij spreidt zijn armen als hij haar ziet. In haar tas voelt ze haar telefoon trillen. Ze durft haar man niet aan te kijken, ze kijkt naar haar dochter, naar de casinoman die zijn mond al opent, naar de gokkasten die allemaal geluid maken, allemaal, tegelijk, steeds harder, overal vallende muntjes.
Met haar ogen probeert ze de man van het casino te seinen. Te waarschuwen. Niet nu. Niet hier. Niet bij hem.
En hij begrijpt het. En haar dochter begrijpt het. En die hand, die op haar onderrug ligt, duwt. Die hand die ze al zo vaak gevoeld heeft.
Pip Sloff – Freddies mannen
Kijk ze daar zitten. De mannen van Freddie. Net als vorig jaar. En het jaar daarvoor. En de jaren daarvoor. Op een rijtje. Tegen de muur. Been aan been in hoog tempo kopjes koffie en gebak aan elkaar doorgevend. De op stevige knieën gelande schoteltjes overeind zien te houden, de taart ontmantelen en de stukken ordentelijk naar de monden navigeren, is het volgende onderdeel van de show. Gebak dat ‘overigens weer voortreffelijk smaakt Frederike’. Wat zeg ik: de beste appeltaart van het westelijk halfrond (een ander). Ronduit subliem (weer een ander). Freddie wat is toch je geheim (nog weer een ander). En Frederike die doet of ze het niet hoort. Ze moet nog dit. Ze moet nog dat. En de citroenschijfjes, die snijden zich niet vanzelf hè?! – de in haar gebak verdiepte vriendin kijkt verschrikt op. En o jongens, helemaal vergeten, wacht! Daar snelt ze heen, de aaneengeschakelde mannen gealarmeerd achterlatend tot ze tadaa (hun opgeluchte lach weerklinkt) opnieuw tevoorschijn komt met dit keer: de opgeklopte room. Echte hè. Niet van dat nepspul. En zeker niet gesuikerd, wat jij – schielijk maakt ze zich kleiner; de aangesproken vriendin. ‘Frederike wat ben je toch verstandig’ roept de sliert mannen in koor. Verveeld zakt de uitgeserveerde room op de braaf uitgestoken taartpunten onderuit – de inhoud van de kopjes in de andere, schichtig reagerende hand, golft overboord. Maar niet heus hoor Freddie! De niet in gebruik zijnde nog vrije, correctie: vorkjes omklemmende en wel degelijk natte vingers, proberen de schade te verbergen. En dan werpt Freddie ze ook nog een servetje toe. Hatsikidee dat ging net goed. Niemand die iets laat vallen. Gelukkig maar: Freddie houdt niet van knoeien, sowieso niet van gedoe.
Het is geen sinecure in deze setting een man van distinctie te blijven. Maar hé, wie niet waagt die niet wint. De heren links en recht zullen geen noemenswaardige concurrentie wezen. Zie ze stompzinnig lepelen. En was Freddies blik bij binnenkomst niet veelbetekenend. Bovendien, de huidige vlam heeft zich nog niet gemeld. Denkt zich (beginnersfout) een verlate entree te kunnen permitteren. Maar hela, wat is dat nou?! Een breed heerschap is zojuist aangetreden, overziet de tot lambrisering bekeerde mannen zonder hen in zich op te nemen, precies zoals zij – maanden, sommigen jaren geleden – zelf deden. Dit binnenkomende feit laat zich echter niet een twee drie rijmen, tot het vermoeden rijst: de spierbundel heeft de huidige, correctie: de als huidig aangemerkte minnaar – een aardige vent, als vertaler zéér competent – van de troon gestoten.
Terwijl, en dat is zeker, vorig weekend (op die vernissage) was het nog aan. Grote kans dat de ontkroonde dit jaar dus verstek laat gaan – als geen ander kennen ze de pijn van deze te ledigen gifbeker.
Kijk hoe Frederike haar nieuwe man verwelkomt. Lachend, de handen losjes om zijn nek, zelfs een kus – ze willen dit eigenlijk niet weten. Zolang zij maar gelukkig is, uiteraard, schiet het door hen heen – het lint siddert even. Daar komt bij: Freddie houdt niet van gezever. Maar het moet gezegd: het is verdomde imposant hoe de nieuwe vlam midden in de kamer mannelijkheid van het fysieke soort – die haar blijkbaar ook bekoort- zit uit te stralen. In stoere kabeltrui, met wijd uit elkaar geplaatste benen. En opnieuw rent Freddie af en aan. Met koffie, gebak, slagroom, suiker, een toefje melk (heb je genoeg of wil je iets anders misschien). Vlijt zich naast hem, tokkelt improvisaties op zijn strakke buik (zoiets deed ze eerder nooit). De tegen de muur gezette heren kunnen het niet langer ontkennen. Daar zit ie. De onbetwiste moordenaar van hun hoop.
Dan: de vriendin staat op, begint geruisloos schoteltjes en kopjes te stapelen, de vorkjes en lepeltjes tingelen licht. Frederike zegt: wil je soms indruk maken en (tegen de rest): ben benieuwd wat ze dit keer breekt, ach geef hier – rukt de schoteltjes uit haar handen, dringt haar achteruitlopend in een stoel (o stond je daar?). En ineens valt het op, hoe hoekig Freddie naar de keuken loopt, iets gebogen ook. Wanneer ze terugkomt, een dienblad met glaswerk ver voor zich uit dragend (‘borreltijd!’) lijkt er iets veranderd. Haar mannen kijken op noch om, praten onderling of – een drietal – met de vriendin, enkelen omringen de nieuweling. Haar stem komt nog nauwelijks boven het gezelschap uit (‘borreltijd?’). Op de muur, achter de deels lege rij stoelen, tekenen zich contouren van lichamen af – statisch en zwart omrand.
Bjorn Lichtenberg – Stroomopwaarts
Vanaf morgen zou ik stoppen met ronde letters schrijven. Mijn g zou geen weelderig krulletje meer krijgen maar een rechte, mannelijke poot. En ik zou niet meer met mijn benen over elkaar gaan zitten. Het zou moeilijk zijn dat af te leren, maar dat mocht ik voortaan alleen nog maar doen als ik in mijn kamer huiswerk maakte, hoewel het beter was het dan ook te laten, het uit mijn systeem te krijgen. Ik hield een korte tak vast, waarmee ik een mannelijke g en een mannelijke j uitprobeerde in het zand van het strandje waar ik zat. Ik maakte verschillende opties en koos er een. Ik trok er een vierkantje omheen.
Ik keek op, niet verveeld, wel lusteloos. Het water van de Maas rimpelde. Links van me denderde een vrachttrein over de spoorbrug. Het strandje waar ik zat was wat lager gelegen dan de uiterwaarden van de rivier, die zich een meter of twee boven het water verhieven en waar ik een vrouw iets hoorde roepen, vermoedelijk naar de hond die ze uitliet.
Het hielp niet om hier te zitten. Later, als ik thuiskwam bij mijn ouders, zouden de randen van mijn herinneringen aan de dag op school nog net zo hard en scherp in mijn vel snijden als nu. Ik kon het niet aan om mijn ouders onder ogen te zien – ik zou het straks net zo min aan kunnen, maar nu kon ik het zeker niet aan, en daarom zat ik hier, de tijd te doden. Mijn gedachten flikkerden aan en uit. De puinhoop van situaties waarmee ik geen raad wist, werd hoe langer hoe onontwarbaarder, zoals de lichtschakeringen in het wateroppervlak die mij verder hypnotiseerden naarmate ik langer keek.
Het water rimpelde. Toen constateerde ik: het rimpelt de verkeerde kant op. Het rimpelt naar rechts, en niet naar links zoals altijd. Ik besefte meteen hoe vreemd het was. Er zou in de kranten over worden geschreven. Maar toch interesseerde het me niet, want voor hetzelfde geld was het helemaal niks.
Thuis vroeg mijn moeder me hoe het op school was geweest en ik antwoordde dat het goed was geweest, gewoon goed. Terwijl ik het zei dacht ik niet aan school maar aan de rivier. Om te zorgen dat ze niet zou doorvragen vervolgde ik: “Het water stroomt de verkeerde kant op.”
“Het water?” vroeg mijn moeder.
“In de Maas.”
“Hoezo stroomt het de verkeerde kant op?”
“Ik weet niet hoezo, ik zeg het alleen maar.” Ik liet mijn lepel herhaaldelijk met de bolle kant op de vlak geprakte massa aardappelpuree neerkomen.
Mijn vader prikte een worst uit de pan die droop van het vet en de jus. Hij zei: “Het waaide tegen de stroom in, dan lijkt het alsof het water terugstroomt. Onder de oppervlakte gaat het richting de zee, zoals altijd.”
Daar had ik natuurlijk ook aan gedacht, maar het water stroomde de verkeerde kant op, ook onder het oppervlak. Ik had al vaak genoeg naar de rivier gekeken om dat te weten. Die avond oefende ik mijn nieuwe g aan mijn bureau. Ik keek naar mijn haar in de spiegel aan de binnenkant van mijn kledingkast. Ik zou het moeten afknippen. Ik pakte een schaar en knipte min of meer lukraak een pluk af; het was mislukt, ik woelde mijn haar wat door de war om de te korte lok te verhullen.
Ik ging in bed liggen en voelde aan mijn haar, ik dacht aan mijn g, het waren hopeloze pogingen. Ik wist natuurlijk wel dat ik later, over een jaar of vijf tot tien, geen echt leven zou kunnen leiden. Ik ging niet opgroeien, ik ging geen volwassen mens worden. Hoe ik dat probleem zou oplossen wist ik nog niet. Nu leefde ik van dag tot dag. Ik dacht aan de kantine, waar ik had gezeten, waar een groep jongens op me af was gekomen, ik had de bui al voelen hangen, een van hen zag mij, draaide zijn rug naar me toe en trok zijn broek naar beneden, de rest lachte, verderop zat een groepje mensen, zij zagen het, ik zat alleen, ze lieten me. Ik probeerde zo min mogelijk te reageren.
Ik kneep mijn ogen dicht. Ik wist inmiddels dat ik een dag ook wel doorkwam als ik maar vier uur sliep.
De volgende dag zag ik het opnieuw: het water rimpelde oostwaarts in plaats van westwaarts. Enkele tientallen meters verderop was er iemand met een skimboard in de weer aan de waterkant. Een jongen die een jaar of drie ouder was dan ik. Voor ik het wist vroeg ik: “Wat is er met het water aan de hand?”
“Wat?”
“Gaat de stroming wel de goede kant op?”
“Nee, de stroming is omgekeerd, ik weet niet hoe dat komt.”
Zie je wel. De jongen klom de uiterwaarden op met het skimboard onder zijn arm. Ik draaide me om, om hem na te kijken. Hij droeg een wijd zittend wit T-shirt met zandvlekken en een zwembroek die tot op zijn knieën viel; zijn haar was donkerblond en halflang. Hij leek me een nogal lamlendige jongen, maar het leek alsof hij niet per ongeluk lamlendig was geworden. Hij wist wat hij nog meer kon zijn maar had gekozen lamlendig te zijn. Ik kon hem vast van alles vragen, en dan zou hij het antwoord weten. Ik richtte me half op in een plotselinge impuls om vrienden met hem te worden. Maar halverwege de beweging voelde ik me gegeneerd en ging weer met mijn gezicht naar de rivier zitten.
De jongen had bevestigd wat ik al zeker wist omdat ik het zelf had gezien, maar tegelijkertijd wist ik net zo zeker dat het niet kon bestaan wat ik had gezien. Je hebt zo van die zekerheden, zoals de zekerheid dat rivieren naar de zee stromen, of de zekerheid dat ik nooit echt van mijn eenzaamheid af zou kunnen komen. In een opwelling van daadkracht besloot ik de proef op de som te nemen. De onzekerheid had lang genoeg geduurd. Het zou misschien even onprettig zijn, maar daarna zou ik er nooit meer aan hoeven denken.
Ik liep het water in en zwom naar het midden van de rivier. Ik ontspande mijn spieren, merkte dat ik onder water werd getrokken en besloot te blijven watertrappelen. Ik stroomde naar rechts, de verkeerde kant op. Ik stroomde langs de uiterwaarden, langs de vier flats aan de boulevard, langs het moerassige gebied waar koeien graasden, ik stroomde langs een klein dorpje aan de dijk en zag mensen op het terras van een café zitten. De stroming was niet snel, maar ik kon mij er gemakkelijk aan overgeven. De rivier kapselde mij in, had mij aanvaard als beschermeling. Ik stroomde zo een paar uur, het ging goed, alles was zoals het moest zijn, ik zag de boulevards van Venlo en ik stroomde onder de hoge bruggen van Maastricht door. De Maas stroomde de andere kant op dan normaal, en niemand viel de Maas lastig. Sommige mensen aan de kades keken mijn richting op. Zij zagen mij, of misschien zagen zij slechts de omgekeerde stroming, of misschien zagen zij dat niet eens. Zij liepen door, aten verder, zetten hun gesprekken voort.
Ik stroomde de grens met België over, stroomde langs aftakkingen van de rivier die net als de Maas naar boven stroomden, in plaats van naar beneden. Ik stroomde langs de steenstrandjes in de Ardennen, ik richtte mijn blik naar boven en zag de bergtoppen die als bemoeizuchtige armen mijn blikveld binnen reikten. In de Zwitserse bergen stroomde ik omhoog. De rivier werd steeds een beetje smaller en ik merkte op dat mijn lichaam navenant begon te slinken. Mijn linkerarm trok zich geleidelijk terug in mijn romp, toen volgde mijn rechterarm, daarna mijn benen. Hoog in de Alpen, voorbij Neufchâteau, was de Maas nog slechts een beekje dat tussen de rotsen door kabbelde. Mijn lichaam was tegen die tijd geheel verdwenen en ik was gereduceerd tot een piepklein stukje bewustzijn dat steeds meer begon te haperen: telkens was ik even weg, kwam dan weer bij, voelde dat ik langs een met mos begroeide rots gleed, gleed weg, zag dan een grappig wolkje in de saaie blauwe lucht boven mij, zakte weg, en zag toen plotseling de opening van een fles die een bergwandelaar in het beekje vulde voor me uit torenen.
Ik zag een imponerend berglandschap, vervormd door het gebogen stuk roze transparant plastic van de fles waarin ik mij bevond. Toen ik de mond zag waarin ik zou verdwijnen, wist ik dat mijn lot was beklonken. Er restten mij hoogstens nog enkele seconden.
In die laatste ogenblikken schoot mij de pluk haar te binnen die ik had afgeknipt, en die ik op de vloerbedekking van mijn slaapkamer had laten liggen. Ik zou dus niet helemaal in het niets verdwijnen. Tenzij die pluk inmiddels in een stofzuigerzak was verdwenen. Ach, dacht ik. Wat zou het ook.