Nelson Morus – Incasseren

In aanloop naar de prijsuitreiking van de Debutantenschrijfwedstrijd 2023 publiceren wij elke week een inzending van een shorlistkandidaat. Deze week het fictieverhaal van Nelson Morus. 

Nelson Morus is achtereenvolgens vuilnisman, jazzdrummer en advocaat geweest. Momenteel werkt hij aan een rechtskundig proefschrift. In 2021 is hij proza beginnen schrijven. Hij won een paar schrijfwedstrijden, waaronder de verhalenwedstrijd van het International Literary Festival Utrecht in de categorie proza en Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs in de Engelstalige categorie. Zijn verhalen werden onder meer gepubliceerd in De Gids, Deus Ex Machina, DW B, Hard//Hoofd Magazine, De Optimist en Tijdschrift Landauer.


Incasseren

Sasha doet de voordeur voor me open. ‘Hij is boven aan het slapen,’ zegt ze  zachtjes. Vanuit de kou treed ik het halletje binnen. Ze incasseert mijn zoen met haar rechteroor. De tochtstrip geeuwt, de deur klikt in het slot.

Ze heeft me opgebeld omdat er iets was met Steven. Dat het dringend was, verstond ik aan de telefoon. Ik heb geen vragen gesteld en ben meteen gekomen. Steven heeft nooit veel vrienden gehad. Hij is een lieve man, maar nogal  eenzelvig. Viktor, die getuige was op het huwelijk van Sasha en Steven, is enkele maanden geleden overleden aan maagkanker. Dat maakt mij op dit moment de beste vriend van Steven.

In de woonkamer zitten hun dochters op de sofa naar een tablet te kijken, er klinkt een lachband. Ik zeg hen gedag en gebruik daarbij hun namen. Daar  oefen ik op voordat ik mijn vrienden bezoek. Ik zeg de namen van hun kinderen een paar keer luidop in de auto, zodat die als vanzelfsprekend van mijn  tong rollen zodra ik de kinderen zie. De oudste dochter is vijf, denk ik, en  kijkt niet op van het schermpje. De jongste dochter is drie en staart me doordringend aan. Ik krijg een beetje kippenvel op mijn onderarmen en forceer een glimlach.

Ik heb Steven nooit anders gekend dan chronisch overwerkt. Hij coördineert de dagelijkse werking van een opvangtehuis voor jongeren met ernstige  gezinsproblemen. Ik dacht dat hij ondertussen gewend was geraakt aan de verhalen over kindermisbruik uit de monden van de slachtoffers, de getraumatiseerde jongeren die elkaar te lijf gaan met keukenmessen of schuimbekkend op de badkamervloer hun god vervloeken. De wachtdiensten, de nacht diensten, het weekendwerk.

We installeren ons in de keuken naast de warmtestraler. Sasha legt uit dat de centrale verwarming maar op half vermogen werkt. ‘Er zijn al verschillende  vakmannen langs geweest. Geen enkele heeft de oorzaak van het probleem  kunnen achterhalen.’ Ze legt chocoladekoekjes op een bord, vult de waterkoker en zet hem aan. Ik vraag me af of kinderen minder akelig worden als je er  zelf hebt rondlopen.

Ze leunt met haar zachte heupen tegen het aanrecht en komt ter zake. ‘Aanvankelijk dacht ik dat hij een affaire had.’

Het woord affaire doet een kooltje opgloeien in mijn borstkas. Wat Sasha en ik hebben gehad kan je geen affaire noemen, een affaire vereist duur en  intentie, voorbedachten rade. Wat wij hadden was een oprisping, een stuiptrekking, een poging een vlinder te beschermen tegen de vraatzucht van een  vogel door hem te vangen in de kom van twee handen.

‘Wij?’ zeg ik.

‘Hij,’ zegt Sasha. Ze werpt een vluchtige blik op haar kinderen, die nog  steeds in de sofa hangen. ‘Ík dacht dat híj een affaire had. Op een gegeven  moment was de filter van onze zwemvijver verstopt. Een van zijn sokken zat  erin vast.’

Ik neem een koekje van het bord. De waterkoker maakt een tokgeluid. ‘Lang verhaal kort,’ zegt Sasha, ‘hij heeft geen affaire. Hij denkt dat hij een  kikker is.’ Ze vult twee mokken met heet water.

‘Sorry, wat?’

‘Welke thee?’

‘Earl grey alsjeblieft.’

‘Hebben we niet denk ik.’ Ze rommelt in de voorraadkast.

‘Munt dan.’

‘Wacht, toch wel.’ Ze doet een theezakje in elke mok, zet de mokken op tafel en gaat zitten. ‘Een kikker. Hij denkt… Hij beweert dat hij een kikker is die  gevangen zit in het lichaam van een mens.’

Ik knik begrijpend. Net wat een echte vriend zou doen.

‘Zit zo niet te knikken, Nelson, ik weet hoe het klinkt. Het is gewoon krankzinnig, ik weet niet meer wat ik moet doen. Als ik hem vraag waarom onze  lakens nat zijn, beweert hij van niets te weten, maar onze muren zijn van karton. Ik hoor hem huilen door het hele huis. Het klinkt alsof hij steengruis probeert uit te braken.’

Sasha omklemt haar mok met beide handen. Ik zoek naar duiding in de  poriën van haar handrug, de pezen die haar vingers aansturen, in het blauwe  schijnsel van haar aderen. Ik zoek een uitleg in het pluizige kasjmier van haar  trui, de grove steek van haar sjaal, in haar grijsgroene ogen die steun zoeken  in de mijne.

‘Sasha, Jezus…’ is het enige wat ik kan uitbrengen.

Sinds wanneer praten Steven en ik niet meer met elkaar? Hebben we eigenlijk ooit echt gepraat? Mijn vrienden – meervoud, want Steven is niet de  eerste – barsten in de beslotenheid van hun woning in huilen uit, en ik moet  het vernemen van hun partners. We denken dat we elkaar kennen omdat we  elk jaar samen op vakantie gaan, maar we blijken volstrekte vreemden voor  elkaar.

De jongste dochter joelt vanuit de woonkamer, ‘Papa is een slang!’

Sasha springt recht en haast zich naar de woonkamer met mij in haar kielzog. De jongste tikt met een minivingertje tegen het glas van het schuifraam. ‘Kijk!’ De oudste komt er ook bij staan. Ze schuift een plakkerige hand in de  mijne, misschien omdat ze denkt dat ik haar vader ben.

Steven ligt in de achtertuin, in het gras naast de zwemvijver, te kronkelen als  een regenworm. Hij heeft een nat T-shirt over zijn hoofd waarvan hij zich probeert te bevrijden. Voor de rest is hij naakt.

‘Steven,’ gilt Sasha. Ze gooit het schuifraam open en rent de tuin in. Ik ren  haar achterna en begrijp dat het nu aan mij is.

Aangekomen bij Steven grijp ik het T-shirt vast en ruk ik het over zijn  hoofd. Steven hapt naar adem met gesloten ogen. Na een paar gulzige teugen  draait hij zich van ons weg en krult hij op in foetushouding. Zijn ribbenkast  gaat op en neer.

‘Papa is oké,’ zegt Sasha. ‘Papa heeft zich verslikt. Papa is oké.’ Haar stem  breekt. De kindjes zijn doodstil.

Ik zak neer op mijn knieën in het zompige gras, aarzel even, en streel zijn  schouder. Zijn tengere bovenlichaam is bedekt met kippenvel. ‘Steven,’ zeg ik. ‘Makker. Het is Nelson.’

Achter me hoor ik Sasha gedempt snikken. ‘Kom,’ zegt ze, ‘we gaan eens  kijken of we lekker warme kleren kunnen vinden voor papa.’ Ze verwijdert  zich met de kinderen.

Steven reageert niet, hij ligt rillend in het gras. Voorzichtig reik ik onder  zijn hoofd. Ik zeg zijn naam nog een paar keer als een mantra, om mezelf  moed in te praten. Dan neem ik mijn vriend stevig vast en trek ik zijn hoofd  en schouders in mijn schoot. Hij laat het toe, zijn lichaam verslapt. Een nestje  vochtig buikhaar verbergt zijn moederlijke lijn, overtollige voorhuid verbergt

zijn verschrompelde geslacht. Overal steken knokels en pezen uit, alsof iemand onder dat vel naar een uitweg tast.

‘Hela makker. We dachten dat je aan het slapen was.’

Hij draait zijn hoofd naar mijn buik en kruipt dichter tegen me aan. ‘De  lucht in onze slaapkamer is zo droog,’ zegt hij in mijn trui. ‘Mijn huid heeft  water nodig.’

Ik ga met mijn vingers door zijn haar en vermijd de kalende plek op zijn  achterhoofd. ‘Waarom neem je niet gewoon een bad? Een lekker warm bad. Zal ik aan Sasha vragen om een bad te laten vollopen?’

Hij mompelt, ‘Wat denk je dat er gebeurt als je een koudbloedig wezen in  een warm bad stopt?’

Sasha is terug met handdoeken en warme kleren. Samen drogen we Steven af en helpen we hem met aankleden. De kinderen kijken toe vanachter het  raam. Het dorre riet aan de rand van de zwemvijver wuift uitnodigend. Steven zet zich op zijn hurken. Ik ga tussen hem en de zwemvijver in staan en  trek een grijze capuchontrui over zijn hoofd.

‘Soms vraag ik me af waar de tijd ons naartoe brengt,’ zegt hij, ‘en of de  bestemming het wachten waard is. Maar het leven… Het leven is biologisch  afbreekbaar.’

Plots begint zijn hele lichaam te schokken. Ik denk dat hij een aanval heeft,  dat hij geen lucht krijgt. Hij stort zich voorover in mijn armen en begint hartverscheurend te schreien. Het geluid gaat door merg en been. Ik heb medelijden met Sasha en voel me meteen daarna schuldig over dat medelijden,  alsof ik mijn vriend verloochen.

‘Ik mis Viktor,’ roept Steven in mijn armen. ‘Ik mis hem zo hard.’ Het verdriet raakt me vol in het gezicht. Mijn blik vertroebelt.

‘Ik ook,’ zeg ik met de zelfbeheersing die ik nog vind. ‘Ik mis Viktor ook.’ Sasha laat de resterende kleren in het gras vallen. Ze neemt ons vast en laat haar hoofd op de onze rusten. Onze lichamen vormen samen een hijgend  hart, een tros botten en reutelend vlees. Ik denk aan de kindjes binnen, zwijgend achter het raam. Ik herhaal hun namen in gedachten.