Emy Koopman: ‘Als een verhaal voor jou belangrijk is, is het dat waarschijnlijk voor meer mensen’

Ze is schrijver, onderzoeksjournalist én gepromoveerd literatuurwetenschapper: met Emy Koopman heeft Editio er weer een waardevolle tutor bij.

 

Wilde je altijd al schrijver worden?

Zodra ik het alfabet enigszins kende, begon ik ook verhalen op te schrijven. Ik herinner me eentje over een haan die een duif uit een fontein redt en een andere over een kleine piraat die niet wil plunderen. Op mijn vijfde, zesde, zei ik nog wel dat ik schrijver wilde worden, maar op mijn achtste, negende zeker niet meer. Het leek me niet zo realistisch. Zelfs toen ik naast Psychologie Literatuurwetenschap ging studeren, dacht ik nog niet: want ik word schrijver. Maar ik ben altijd wel, stiekem en minder stiekem, door blijven schrijven. Doordat ik dat ook deed voor Hard//hoofd, een online tijdschrift voor cultuur en journalistiek, ben ik ‘ontdekt’ door uitgevers. Sinds het publiceren van mijn eerste roman (Orewoet, 2016) durf ik eindelijk te denken dat het misschien wel voor mij is weggelegd: schrijver worden, schrijver zijn.

Zijn er auteurs die een grote invloed op je hebben gehad?

Ik denk dan vooral aan de boeken die op de middelbare school nieuwe werelden voor me openden. Dat waren verhalen van Kafka en Flannery O’Connor en romans van Chuck Palahniuk en Toni Morrison. Zowel de inhoud als de stijl van hun werken was heel anders dan die van de boeken die toen (begin jaren nul) op de leeslijst stonden. Palahniuk schrijft bijvoorbeeld heel krachtig, met een sterk ritme, veel plotwendingen, geweld en humor, maar zijn boeken zijn ook meerlagig en er zit een tederheid in. Morrison schrijft bloemrijk zonder dat het opschepperig wordt, sensueel en donker, ze sleept je mee in de geheimen van haar personages. Kafka slaagt erin op een heel droge, kale manier een bovennatuurlijke sfeer op te roepen, absurd en beklemmend tegelijkertijd. En O’Connor bouwt haar verhalen meesterlijk op: je voelt de hele tijd dat er iets mysterieus en potentieel gewelddadigs sluimert, maar het verrast je toch als dat daadwerkelijk gebeurt. Elk van deze schrijvers probeert op een geheel eigen manier het onbevattelijke te beschrijven. Die eigenzinnigheid was belangrijk voor mij om mee te krijgen, het besef dat er zoveel verschillende stemmen zijn.

Hoe ziet jouw schrijfproces eruit?

Dat begint niet met een plan van A tot Z, maar met een kiem. Mijn eerste roman begon vanuit het idee dat iemand zichzelf interessanter probeert voor te doen via zijn zwijgzame, onberekenbare, bloedmooie beste vriend – een soort Cyrano de Bergerac-motief gesitueerd in de jaren zeventig. Mijn tweede roman (Het Boek van Alle Angsten, 2020) begon met het idee van een personage dat zelf angstig is en werkt op een angststoornissenafdeling, in een gigantische zorgflat waar per verdieping een andere psychische stoornis wordt behandeld. In het begin is zo’n personage nog een vage figuur, die moet eerst duidelijker worden, en dan ga ik met haar of hem meelopen. Van tevoren weet ik nog niet hoe het zal eindigen – dat vind ik ook fijn, dat ik er zelf door kan worden verrast. Dat geldt ook voor kortere stukken, en zelfs voor non-fictie: ik kan het maar beperkt uitstippelen, ik moet echt gaan schrijven, het materiaal eerst máken, om er goed mee te kunnen kleien. Al ben ik ook niet volkomen ongestructureerd, ik heb bij de romans wel zoveel behoefte aan overzicht dat ik een apart bestandje aanmaak met een voorlopige hoofdstukindeling, waarin ik ook de tijdlijn in de gaten houd.

Je bent thuis in zowel fictie als non-fictie; heeft dat invloed op hoe je naar die genres kijkt?

Journalistiek is voor mij een compleet ander vak dan fictie schrijven, omdat je een fundamenteel andere houding ten opzichte van de waarheid hebt. Een journalist moet de waarheid vertellen en daarbij de neiging weerstaan om de dingen ‘mooier’ (en voor een verhaal kan dat ook zijn: ‘slechter’) te maken dan ze zijn. Een schrijver (van fictie) moet juist gaan voor wat ‘waarachtig’ is en zichzelf daarbij steeds voorhouden dat de waarheid ‘geen excuus’ is: dat iets echt is gebeurd, maakt het nog niet interessant voor de lezer. Tot nu toe hield ik mijn fictie behoorlijk strikt fictief, omdat ik een soort plicht voel helder te zijn tegenover de lezer, en misschien ook wel een schaamte om mijn werkelijkheid onvervormd weer te geven en dan ‘te doen alsof’ dat fictie is. Maar ik besef dat ik mezelf daarmee beperk, dat onder de noemer ‘fictie’ heel veel mogelijk is. Ik werk nu aan een autobiografisch boek en ik heb het gevoel dat dat wellicht iets open zal breken, dat ik hierna meer zal gaan vermengen in mijn romans. Misschien.

In hoeverre draagt het bij aan je ontwikkeling als schrijver om meerdere genres te beoefenen?

Ik ben altijd al slecht geweest in kiezen, dus voor mij is de afwisseling heel welkom. Bij verschillende genres hoort ook een ander soort taal, je trekt andere registers open. Dat kameleontische kun je goed inzetten als je in een roman verschillende stemmen wil laten horen, als je van toon wil wisselen. Zelf houd ik daarvan, om ineens een nieuwsbericht of een vlog te krijgen na een hoofdstuk waarin je helemaal in het hoofd van een personage zat. Maar ik denk niet dat het noodzakelijk is voor je ontwikkeling als schrijver om meerdere genres te beoefenen, ik heb juist veel respect voor mensen die zich helemaal specialiseren in één genre.

Je hebt niet alleen literatuur geschreven, maar ook onderzocht; in 2016 promoveerde je op onderzoek naar literatuur en empathie. Wat waren je centrale bevindingen?

In verschillende studies binnen dat onderzoek heb ik bewijs gevonden voor wat vrijwel elke schrijver denkt en hoopt: dat rake verwoordingen en opvallende literaire technieken lezers ellende kunnen laten invoelen die ze zelf niet hebben ervaren en dat ze daardoor ook daadwerkelijk meer begrip krijgen voor anderen. Twee duidelijke voorbeelden daarvan waren de zinssnede ‘het koude kind’ in een tekst van Anna Enquist over haar overleden dochter, en de personificatie van depressie als een zwarte hond in een roman van Rebecca Hunt. Zoiets blijft hangen. In het algemeen bleven verhalen ook langer hangen dan informatieve teksten en deden ze meer voor empathie. Je breekt er makkelijker mee door een weerstand heen en het gaat meer leven. Dat geldt logischerwijs vooral als mensen een hele roman lezen en niet slechts een fragment (terwijl experimenten meestal slechts fragmenten gebruiken). In een studie waarin de deelnemers gehele romans over depressie moesten lezen was te zien hoeveel connecties ze legden tussen wat ze lazen en wat ze in het dagelijks leven tegenkwamen. Een aantal van hen ging dankzij de romans ook met mensen in gesprek die zelf depressief waren of een depressief familielid hadden. Via het boek konden ze daar makkelijker over praten.

Spelen die bevindingen een rol in je eigen werk als auteur?

Nee, daar wil ik niet mee bezig zijn, ik richt me erop het verhaal dat ik wil vertellen op de voor mij best mogelijke manier te vertellen. Specifiek op empathie gaan zitten zou manipulatief voelen. Idealiter ontstaat die empathie bij de lezer al doordat ik die zelf voor mijn personages voel. Tegelijkertijd vind ik dat wel iets om na te gaan: komt wat ik voel ook aan bij de lezer? Daarom probeer ik bij mijn boeken wel meerdere meelezers te regelen.

Meelezers regelen is dus een goede tip voor aspirant-schrijvers; heb je nog een andere tip?

Door blijven ploeteren. Er liggen overal ter wereld half-afgeschreven boeken, in laatjes, op laptops, omdat mensen op een gegeven moment dachten: ‘Ach, het is toch niks.’ Maar als een verhaal voor jou belangrijk is, dan is het dat waarschijnlijk voor meer mensen. Het gaat er dan ‘alleen’ nog om dat je het zo kunt verwoorden dat het belang voor anderen voelbaar wordt zodra ze je boodschap horen. In dat ‘alleen’ zit ’m de crux, dat kan een behoorlijke strijd zijn. Het is niet in één keer mooi. Je zal je op meerdere momenten ontmoedigd voelen. Daar moet je doorheen. Sommigen zeggen dat je elke dag moet schrijven, maar dat is voor de meeste mensen onhaalbaar. Kijk wat er voor jou haalbaar is, en probeer je daar dan ook aan te houden. Sluit een verbond met een andere aspirant-schrijver om elke zoveelste middag te schrijven, dan is de kans groter dat je verder komt.

 

Emy Koopman promoveerde in september 2016 cum laude op onderzoek naar literatuur en empathie. In dezelfde maand verscheen haar debuutroman Orewoet, die lovende recensies ontving van onder meer NRC Handelsblad en werd genomineerd voor de Fintro Literatuurprijs (longlist) en de Bronzen Uil (shortlist). Haar tweede roman, Het Boek van Alle Angsten, verscheen in augustus 2020 en werd wederom goed ontvangen. Naast fictie schrijft Emy ook non-fictie, journalistiek en persoonlijk. Zij publiceerde in media als De Groene Amsterdammer, De Correspondent en de Volkskrant, en presenteerde de VPRO-reisserie Paradijs Canada. Voor Editio zal Emy fictie en (verhalende) non-fictie cursussen gaan begeleiden.